Kwetsbaar glaswerk museumcollecties relatief snel te identificeren

3 oktober 2018

Een zeventiende-eeuwse transparante kan van glas die verkleurt in mat poederroze. Een duidelijk teken van glasziekte, waarbij het uiterlijk van glazen objecten verandert als gevolg van chemische degradatie. In samenwerking met het Rijksmuseum ontwikkelde Guus Verhaar een eenvoudige maar doeltreffende methode om instabiel glas in museumcollecties op een relatief snelle manier te identificeren. Hij promoveert donderdag 18 oktober op dit onderzoek aan de Universiteit van Amsterdam (UvA).

‘Zieke glazen’ staat er op een geeltje dat aan de rand van een grote kerstballendoos kleeft. Daarin liggen op vloeipapier een aantal precair uitziende vazen, schalen en potjes van glas, die in het restauratieatelier glas en keramiek van het Rijksmuseum bestudeerd worden. Promovendus Guus Verhaar tilt er voorzichtig een zeventiende-eeuwse kan met elegante schenktuit uit. De kan is mat poederroze. Hoewel het er charmant uitziet, is die matte kleur absoluut geen goed teken; oorspronkelijk was de kan kleurloos en transparant.

Tuitkan met eivormig lichaam, ca. 1700, Rijksmuseum, objectnummer BK-NM-804.

Verhaar pakt er een zakje bij waarin het fraai-gevormde dekseltje van de kan – tevens mat poederroze – in gruzelementen ligt. Het betreft een heftig geval van wat ‘ziek glas’ genoemd wordt – al spreekt Verhaar liever van instabiel glas. Het oppervlak van instabiel glas reageert met vocht uit de omgeving, daardoor trekt water in het glas. Als dit vervolgens verdampt zorgt het verlies aan volume voor spanning in het materiaal. Daardoor ontstaan kleine barstjes, het glas komt er mat uit te zien en loopt het risico te barsten, zoals het dekseltje van de roze waterkan. De grote boosdoeners in dit destructieve proces zijn hoge luchtvochtigheid en idem temperaturen – omstandigheden waar glaswerk tijdens tentoonstellingen soms aan wordt blootgesteld.

Guus Verhaar. Foto: Erik Smits

Verraderlijk

Verhaar: ‘Het verraderlijke is dat je lang niet altijd kunt zien welk glas het risico loopt verder te degraderen. En dus weet je niet welk glas je extra moet beschermen als je het tentoonstelt’. Tijdens zijn promotieonderzoek heeft Verhaar een lakmoesproef voor instabiliteit ontwikkeld. Als een gevolg van chemische degradatieprocessen ‘lekken’ bepaalde ionen – met name natrium en kalium – uit het glasnetwerk. Deze ionen vormen vervolgens zouten op het oppervlak van het glas. Met ion chromatografie - een veelgebruikt instrument in de analytische chemie - kan de concentratie van deze ionen bepaald worden. Dit blijkt waardevolle informatie in de studie van instabiel glas te zijn. Verhaar toont aan dat de som van concentraties van alkali ionen (natrium en kalium) op het oppervlak van het glas een indicator kan zijn voor chemische instabiliteit van glas. Op basis van sporen van ionen die het glas verlaten hebben, kan hij inschatten welk glaswerk kwetsbaar is, ook als er nog geen duidelijke tekenen van instabiliteit zichtbaar zijn. Dat bekent dat instabiel glas in museumcollecties op een eenvoudige en doeltreffende manier geïdentificeerd kan worden. Geen overbodige luxe, naar schatting is 10 tot 30 procent van het museale glaswerk ernstig instabiel.

Het promotieonderzoek van Verhaar is een samenwerkingsproject tussen de afdeling Conservering en Restauratie van het Rijksmuseum en de Faculteit der Geesteswetenschappen van de UvA.

Promotiegegevens

Guus Verhaar: Glass Sickness: Detection and Prevention. Investigating Unstable Glass in Museum Collections. Promotoren zijn prof. dr. N.H. Tennent en prof. dr. ing. M.R. van Bommel.

Tijd en locatie

De promotie vindt plaats op donderdag 18 oktober om 10.00 uur.
Locatie: Agnietenkapel, Oudezijds Voorburgwal 231, Amsterdam.

Gepubliceerd door  UvA Persvoorlichting