Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
EN

Ook leden van niet-statelijke actoren als IS zouden in oorlogssituaties onder het oorlogsrecht moeten vallen, concludeert rechtsfilosofe Hadassa Noorda. Dat is bijzonder, want traditioneel gezien is het oorlogsrecht en de theorie die hieraan ten grondslag ligt vooral gericht op natiestaten. Donderdag 27 oktober promoveert Noorda aan de Universiteit van Amsterdam.

De theorie van rechtvaardige oorlog, grotendeels vastgelegd bij de Geneefse Conventies, beschrijft de regels waaraan partijen zich dienen te houden bij een gewapend conflict. Deze regels zijn erop gericht oorlogen te reguleren en burgerslachtoffers te voorkomen, bijvoorbeeld door het verbod op het moedwillig doden van burgers. Natiestaten en soldaten in oorlog dienen zich aan dit recht te houden en de toepassing ervan kan worden getoetst door een rechterlijke instantie als het internationaal strafhof.

Maar de reactie van staten op niet-statelijk geweld, van bijvoorbeeld het jihadistische IS, voltrekt zich vaak buiten deze regels. Ten onrechte, meent Noorda. Ook niet-statelijke strijders of combattanten zouden onder het oorlogsrecht moeten vallen, mits ze voldoen aan drie criteria. Er moet sprake zijn van lidmaatschap van een collectief met een hiërarchische organisatiestructuur, dat collectief moet een politiek doel nastreven en steun vinden bij de bevolking.

Drone-aanvallen

In de praktijk gaat het er anders aan toe. Denk bijvoorbeeld aan Amerikaanse drone-aanvallen op IS-strijders. Die vinden nu plaats in een rechtsvacuüm. Als het oorlogsrecht van toepassing zou zijn op de strijd tussen de VS en IS, zouden die bombardementen in principe verboden zijn. Behalve als van het doelwit is aangetoond dat het een strijder betreft die onderdeel uitmaakt van de strijdkrachten van een niet-statelijke actor, omdat het oorlogsrecht het doden van combattanten in de strijd toestaat. Andersom wordt het leiderschap van IS onder het oorlogsrecht verantwoordelijk gehouden voor schendingen als het doden van burgers.

Noorda's uiteenzetting heeft ook implicaties voor individuen die juist geen lid zijn van een collectief dat aan bovenstaande voorwaarden voldoet. Dat zijn burgers, beargumenteert Noorda, en hun vrijheid en autonomie mag niet worden beperkt, zonder dat die maatregelen gepaard gaan met de rechten die individuen in een rechtstaat behoren te krijgen, zoals bijvoorbeeld een eerlijk proces. Dat gebeurt momenteel niet altijd. Na de aanslagen in Parijs zijn burgers bijvoorbeeld onder huisarrest geplaatst zonder tussenkomst van de rechter.

Apartheid

De promovendus beredeneert verder dat de theorie van rechtvaardige oorlog gericht is op het beperken van burgerslachtoffers. In die geest zou het niet moeten uitmaken of de niet-statelijke actor strijdt voor een 'juist' doel. Daarmee vertolkt ze een nieuw standpunt in een debat dat zich op dit moment in haar vakgebied voltrekt. Noorda: 'Sommige theoretici menen dat alleen niet-statelijke actoren die een juist doel nastreven, denk bijvoorbeeld aan de ANC die zich in Zuid-Afrika tegen Apartheid verzette, onder het oorlogsrecht mogen vallen'. Maar Noorda stelt dat het al dan niet juist zijn van het nagestreefde doel vaak bron is van het conflict zelf en dat het daarom geen zin heeft dat als criterium mee te wegen bij het bepalen van de rechtspositie van een partij. 'Een gewapend conflict is een onwenselijke en extreme situatie. Maar binnen die omstandigheden biedt het oorlogsrecht de beste handvatten voor regulering en het beschermen van burgers'.

Naast het toepassen van de discriminatieplicht die stelt dat onderscheid moet worden gemaakt tussen strijders en burgers, heeft Noorda's vertoog nog andere implicaties. Zo geldt voor strijders die onder het oorlogsrecht vallen het krijgsgevangenschap als ze ten prooi vallen aan de tegenstander - een gevangenschap die komt te vervallen bij beëindiging van het conflict.

Noorda wil met haar proefschrift niet direct de juridische praktijk onder oorlogsvoering veranderen. 'Tussen de rechtsfilosofie en wetgeving zitten nog zo veel stappen, een eerste daarvan is het vooruit helpen van het debat onder vakgenoten. Dat is mijn voornaamste doel'.

Promotiegegevens

Mw. H.A.  Noorda: Thinking War in the 21st Century. Introducing Non-State Actors in Just War Theory. Promotor is prof. dr. M. de Wilde. Copromotor is dr. R.H.M. Pierik.

Tijd en datum

De promotie vindt plaats op donderdag 27 oktober, 16.00 uur
Locatie: Agnietenkapel, Oudezijds Voorburgwal 231, Amsterdam.

Bekijk het agendabericht