Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
EN

Autochtonen en allochtonen hadden tussen 1999 en 2006 even vaak een werkloosheidsuitkering. Dat blijkt uit onderzoek van universitair docent Stadsgeografie en Demografie Aslan Zorlu, hoogleraar Human Capital Joop Hartog en promovendus Rechten Marieke Beentjes.

Autochtonen en allochtonen hadden tussen 1999 en 2006 even vaak een werkloosheidsuitkering. Niet-westerse immigranten ontvingen vaker een arbeidsongeschiktheidsuitkering in deze periode. Dat blijkt uit onderzoek van universitair docent Stadsgeografie en Demografie Aslan Zorlu, hoogleraar Human Capital Joop Hartog en promovendus Rechten Marieke Beentjes van de Universiteit van Amsterdam. Het onderzoek naar uitkeringsgebruik van niet-westerse allochtonen toont een divers beeld.

De werkloosheidsuitkering komt even vaak voor onder autochtonen en allochtonen: in eerste instantie lijkt de eerste generatie mannen uit de niet-westerse groepen een hogere kans te hebben op WW ten opzichte van autochtonen (3 tot 5 procent versus 2,4 procent). Maar dat verschil is meestal grotendeels te verklaren vanuit achtergrondkenmerken zoals leeftijdverschillen.

Hogere AO onder niet-westerse migranten

De kans op een arbeidsongeschiktheidsuitkering (AO) is vooral hoog bij eerste generatie Turkse en Marokkaanse mannen en bij Turkse en Surinaamse vrouwen. De tweede generatie lijkt in eerste instantie een lagere kans te hebben op een AO dan de eerste generatie. Na correctie voor variabelen zoals leeftijd, geslacht, opleidingsniveau, burgerlijke staat is dit omgekeerd. Een opvallend hoog percentage tweede generatie immigranten met een niet-westerse achtergrond heeft hun uitkering wegens arbeidsongeschiktheid op grond van de Wajong- regeling. Naar medische categorie onderscheiden zijn neuro-psychiatrische aandoeningen een opvallend frequente bron voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering voor de tweede generatie.

Hogere bijstand onder westerse en niet-westerse migranten

Het gebruik van bijstand door ‘oudkomers' (immigranten die voor 1999 arriveerden) is relatief hoog en bleef in de periode 1999-2006 nagenoeg constant, voor elke herkomstgroep. Onder recente immigranten (vanaf 1999) daalt de kans om een bijstandsuitkering te ontvangen, voor een gegeven verblijfsduur in Nederland, voor migranten die later arriveerden. De kans op werk onder deze immigranten fluctueert het sterkst met de conjunctuur.

Instroom in de bijstand is vele jaren na aankomst in Nederland (registratie in de GBA) nog hoger dan de uitstroom. Onder de immigranten die in 1999 in Nederland zijn geregistreerd overtreft voor Marokkanen de jaarlijkse uitstroom uit de bijstand pas na zeven jaar de instroom met een minimale marge. Voor overige niet-westerse immigranten wordt het omslagpunt bereikt na vijf jaar. Ook de kans op een bijstandsuitkering is hoger voor tweede generatie immigranten van niet-westerse afkomst (met uitzondering van Surinamers).

Leeftijd en opleiding

De kans op een arbeidsongeschiktheidsuitkering en op een bijstandsuitkering neemt constant toe met leeftijd en af met opleidingsniveau voor alle groepen niet-westerse immigranten. Westerse immigranten wijken in een aantal opzichten af van niet-westerse immigranten. De kans op uitstroom uit de bijstand daalt met leeftijd in plaats van constant te zijn en de kans op bijstand daalt dan ook minder hard met opleiding dan voor andere groepen. De kans op arbeidsongeschiktheid wijkt niet veel af van die van autochtone Nederlanders. Maar de kans op een uitkering stijgt met opleidingsniveau, terwijl hun uitstroomkansen dalen, in tegenstelling tot het patroon bij de andere groepen.

Geslacht en burgerlijke staat

Bij de bijstand hebben vrouwen uit alle immigrantengroepen een hogere kans op een uitkering, bij een iets lagere uitstroomkans dan mannen. Gescheiden personen hebben een hogere instroomkans, een iets hogere uitstroomkans en een duidelijk hogere kans op een uitkering.

Het onderzoek naar uitkeringsgebruik van migranten (tussen 19-64 jaar) maakt gebruik van individuele registergegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek. De studie is mede mogelijk gemaakt door financiële steun van Stichting Instituut Gak. Zie onderstaande verwijzing voor het hele onderzoek.

Download volledig rapport